Meer landen en bedrijven gaan de ruimte in, waardoor de kans op conflicten daar toeneemt. Bestaande ruimteverdragen regelen aansprakelijkheid maar kennen geen rechter. Zo’n ruimterechter is hard nodig, schrijft HCSS expert Sven Koopmans in zijn column voor het FD.

Donald Trump wil in 2028 astronauten op de maan zetten. China plant datzelfde voor 2030, inclusief een basisstation voor taikonauten. Rusland zet in op de ontwikkeling van een eigen ruimtestation en dreigt met stationering van nucleaire wapens in de ruimte. De strijd tussen de grootmachten speelt zich steeds vaker ook buiten de dampkring af: geopolitiek wordt ‘kosmopolitiek’. Daarnaast eisen ook commerciële bedrijven – zoals SpaceX van Elon Musk en Blue Origin van Jeff Bezos – hun plaats op.

Het wordt druk in de ruimte en dat vergroot de kans op conflicten.

Nieuwe dilemma’s

Want wie is bijvoorbeeld aansprakelijk voor vallend ruimtepuin? Wie bepaalt welk land of bedrijf mag mijnen op de maan? Wie heeft zeggenschap als personen en bedrijven zich daar vestigen? Hoe los je outerspacegeschillen op? Wie spreekt recht, en op basis waarvan?

Om deze vragen te beantwoorden, moeten we eerst terug naar de zeventiende eeuw.

De Vrede van Westfalen, in 1648 na de Dertigjarige en de Tachtigjarige Oorlog, legde de basis voor de moderne staatsoevereiniteit. Die stelt dat elke staat exclusieve macht over zijn grondgebied heeft. Het bouwde voort op het werk van Hugo de Groot, grondlegger van het internationaal recht, die ook succesvol betoogde dat niemand de zee kan bezitten. Wereldhandelsroutes moeten vrij toegankelijk zijn voor iedereen (al denken Iran en Trump daar nog over na).

Die consensus leidde in 1967 tot het Ruimteverdrag, dat vastlegde dat niemand de ruimte of hemellichamen, zoals sterren en manen, kan opeisen. In 1971 volgde het Aansprakelijkheidsverdrag, dat bepaalt dat de lancerende staat verantwoordelijk blijft voor schade veroorzaakt door al het roerend goed – ook als dat eigendom is van een commercieel bedrijf. Alle schade op aarde moet door de staat worden vergoed, schade in de ruimte alleen in geval van schuld.

Maar hoe bewijs je schuld bij aanvaringen in de ruimte? Toen in 2009 een afgedankte Russische satelliet met 40.000 kilometer per uur in botsing kwam met een actieve Amerikaanse, was de puinwolk enorm. Toch is er nooit een vergoeding gekomen. De huidige internationale verdragen wijzen hiervoor geen rechter aan. Landen kunnen wel een commissie instellen, die dan met een niet-bindend voorstel komt. In de praktijk is dat nog nooit gebeurd. En wat doe je als de conflicterende partijen geen staten maar bedrijven zijn?

Onhoudbare situatie

Nu nog vallen commerciële bedrijven in principe onder de hoede van nationale overheden, zoals SpaceX onder de Verenigde Staten en lanceerbedrijf ArianeGroup onder Frankrijk. Maar naarmate het aantal spelers groeit, wordt het onhoudbaar om private geschillen in de ruimte via politieke kanalen op te lossen.

Terwijl er sinds 1996 wel een Internationaal Zeerechttribunaal bestaat, wordt zoiets voor de ruimte voorlopig niet verwacht. Daarvoor ontbreekt het aan internationaal vertrouwen en lopen de belangen te ver uiteen.

Tijdens de Koude Oorlog in de vorige eeuw waren de grootmachten nog eensgezind; niemand wilde toe-eigening of bewapening van de ruimte. Zo kwamen de eerste verdragen tot stand. Maar van die consensus is weinig over, concludeert ook de Leidse ruimterechtexpert Tanja Masson-Zwaan.

Dat komt niet alleen door het huidige politieke management in Washington, Peking en Moskou, maar is ook het gevolg van de grote toename van commerciële partijen in de ruimtevaart. Civiele en militaire infrastructuur zijn nauw verweven geraakt, waarbij veel macht en zeggenschap in handen is van maar enkele bedrijven of zelfs enkele personen.

Zo beheert SpaceX ruim de helft van alle satellieten, is het dominant in lanceringen en bepaalt het of en waar Rusland en Oekraïne toegang krijgen tot zijn satellietinternetdienst Starlink – vitaal voor hun oorlogvoering. Bezos’ Blue Origin volgt in de slipstream.

Vernieuwing rechtspraak

Veel ruimtebedrijven willen geschillenbeslechting in eigen hand houden, liefst middels arbitrage door rechters die ze zelf aanwijzen. Het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag stelde hiervoor zelfs ruimtearbitrageregels op, al zijn die nog ongebruikt. Ondertussen hopen bedrijven en investeerders dat hun overheden hun belangen blijven steunen en daar krachtig genoeg voor kunnen optreden.

Maar met meer partijen en meer activiteiten in de ruimte stapelen ook de nieuwe vraagstukken zich op – vraagstukken die vaak niet meer herleidbaar zijn naar de afzonderlijke staten op aarde. Want wie kan belasting heffen op in de ruimte gecreëerde waarde? Wie kan daar kunstmatige intelligentie reguleren? Kunnen ruimteschepen zich onderweg ‘omvlaggen’ en, zoals bij koopvaardijschepen, een andere nationaliteit aannemen? Besprekingen in VN-verband leverden nog weinig op.

De oplossingen van de zeventiende eeuw volstaan niet meer voor dergelijke vraagstukken. Staatssoevereiniteit en vrij handelsverkeer zijn gebrekkige antwoorden voor de kosmopolitiek. Geschillenbeslechting kan niet enkel in handen blijven van staten of via vrijwillige arbitrage. Hopelijk komt er snel een nieuwe Hugo de Groot met antwoorden voor de ruimte – bij voorkeur zonder eerst een Dertigjarige Oorlog.

Sven Koopmans is oud-VVD-kamerlid en hoofd onderhandeling en conflictoplossing bij het Den Haag Centrum voor Strategische Studies (HCSS). Deze column werd op 30 juli gepubliceerd in het Financieele Dagblad. Lees hier al zijn FD columns.

Experts

© The Hague Centre for Strategic Studies