De onderhandelingen over de nieuwe EU-meerjarenbegroting bepalen voor een belangrijk deel hoeveel ruimte de Unie heeft om haar strategische autonomie te versterken. Daarbij gaat het niet alleen om interne investeringen in concurrentiekracht en defensie, maar ook om de middelen waarmee de EU langdurige en betrouwbare partnerschappen met landen buiten Europa kan opbouwen. De recente instemming van de Eerste Kamer met een tijdelijke verhoging van het Nederlandse budget voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is alvast een eerste stap in de goede richting. Dit gaat namelijk over meer dan een begrotingspost, maar raakt ook aan een breder vraagstuk: hoe wil Nederland haar belangen verdedigen in een wereld waarin handel, veiligheid en geopolitiek steeds sterker met elkaar verweven raken?
Het debat over ontwikkelingssamenwerking wordt vaak versmald tot een keuze tussen morele plicht en financiële terughoudendheid, maar dit doet afbreuk aan het grotere plaatje. Nu Europa haar afhankelijkheden op het gebied van energie, technologie en kritieke grondstoffen wil verminderen is ontwikkelingssamenwerking juist een strategisch instrument. Daarbij moet wederzijds belang niet als bijkomend voordeel worden behandeld, maar als uitgangspunt van samenwerking.
Ontwikkelingssamenwerking hoeft niet gezien te worden als eenzijdige hulp, maar als een manier om gedeelde belangen vorm te geven. Goed ingezet kan ontwikkelingssamenwerking de handelingsvrijheid, ontwikkeling en weerbaarheid van zowel Europa als partnerlanden versterken. Als we het hebben over strategische autonomie kunnen we de discussie over ontwikkelingssamenwerking dus niet buiten beschouwing laten.
Afhankelijkheid vergt langdurige strategische partnerschappen
Zonder lithium, kobalt, koper, grafiet, nikkel en zeldzame aardmaterialen zijn er geen batterijen, windturbines, halfgeleiders, defensietechnologie of elektriciteitsnetten. De vraag naar mineralen groeit sterk: tegen 2040 wordt geschat dat de vraag naar sommige kritieke mineralen zelfs kan verviervoudigen. De vraag is dus niet óf we met grondstofrijke landen moeten samenwerken, maar hoe we die samenwerking zo kunnen vormgeven dat ze langdurig, betrouwbaar en wederzijds voordelig is. De Nederlandse regering erkent dat ook zelf. De Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 stelt dat risicovolle afhankelijkheden moeten worden afgebouwd. Hiervoor moeten diplomatie, handel, ontwikkelingssamenwerking en defensie samenhangend worden ingezet.
Dit vergt een nuchtere herwaardering van ontwikkelingssamenwerking. Het gaat namelijk niet uitsluitend om hulp, maar om het combineren van kennisopbouw, publieke investeringen, infrastructuur, markttoegang en economische samenwerking. De term ontwikkelingssamenwerking past daarom beter bij een beleid dat gebaseerd is op partnerschap en wederzijdse belangen dan de beperktere term ontwikkelingshulp, die bij de kabinetsformatie van 2024 opnieuw werd geïntroduceerd.
Het doel is samenwerking op meer gelijke voet. Juist daarin ligt de win-win: Europa versterkt haar handelingsvrijheid en leveringszekerheid, terwijl partnerlanden meer ruimte krijgen voor lokale waardecreatie, werkgelegenheid en economische ontwikkeling.
Voor grondstofrijke landen bieden kritieke mineralen namelijk een kans op duurzame groei en ontwikkeling. Veel van deze grondstoffen bevinden zich in landen waar de maatschappelijke voordelen van mijnbouw nog te vaak achterblijven. Zij willen niet alleen worden gezien als leveranciers van onbewerkte grondstoffen, maar hebben er baat bij verwerking lokaal te houden zodat mijnbouw kan bijdragen aan infrastructuur, werkgelegenheid, belastinginkomsten en kennisopbouw.
Dit is precies waar de link met ontwikkelingssamenwerking naar de voorgrond komt. Als Nederland en Europa uitsluitend inzetten op leveringszekerheid op basis van hoge standaarden, zonder oog te hebben voor lokale waardetoevoeging, dan zullen partnerlanden geneigd zijn elders gunstigere voorwaarden te zoeken. China, Rusland, de Golfstaten en de Verenigde Staten staan alvast klaar om deze lacune te vullen.
Grondstoffenpolitiek zonder ontwikkelingsperspectief is dus strategisch kortzichtig. Als de agenda enkel wordt ontworpen door consumerende landen biedt dit onvoldoende basis voor duurzame en langdurige leveringszekerheid. Juist hier ligt de meerwaarde van de EU: niet door alleen toegang tot grondstoffen te vragen of hoge standaarden op te leggen, maar door die standaarden te verbinden aan investeringen in lokale verwerking, werkgelegenheid en kennisopbouw. Alleen zo kan Europa een aantrekkelijk en langdurig partnerschap aangaan.
Investeren in wederzijdse weerbaarheid
Nederland heeft meer te bieden dan geld alleen: onze kracht ligt in logistiek, havens, waterbeheer, kennisinstellingen, circulaire technologie en verantwoord ondernemen. Ontwikkelingssamenwerking kan deze sterktes verbinden met de ambities van partnerlanden. Samenwerking rond kritieke grondstoffen gaat hierbij dus verder dan mijnbouwcontracten en betrekt ook zaken zoals infrastructuur, lokale verwerking, milieustandaarden en transparante waardeketens.
Ontwikkelingssamenwerking vormt daarbij een belangrijke hefboom. Niet omdat het gelijk moet worden gesteld aan handelsbeleid, maar omdat duurzame economische relaties alleen ontstaan met vertrouwen, capaciteit en wederzijds voordeel. Als we willen dat partnerlanden langdurige en betrouwbare schakels worden in Europese waardeketens dan moeten we ook bereid zijn te investeren in lokale waardetoevoeging. Door daarin te investeren krijgen partnerlanden ook meer mogelijkheden om zelf economisch voordeel uit hun grondstoffen te halen.
Dit vergt ook consistentie op het Europese toneel. Nederland probeert zijn afdracht aan het EU-budget te beperken en pleit voor een “moderner” budget. Maar dit kan averechtse effecten hebben wanneer juist die instrumenten worden verzwakt die nodig zijn om strategische autonomie op schaal vorm te geven. De onderhandelingen over het nieuwe EU-budget vormen daarom een belangrijke test: zijn we bereid om te investeren in de partnerschappen die nodig zijn om Europese afhankelijkheden daadwerkelijk te verkleinen? Wie ontwikkelingssamenwerking enkel als kostenpost beschouwt mist de economische realiteit die voor de deur staat. Als we ontwikkelingssamenwerking slim inzetten kan dit bijdragen aan handel, geopolitieke invloed en leveringszekerheid op de lange termijn.
Nederland staat hiermee voor een belangrijke keuze: kiezen we voor een defensieve reflex van minder hulp, minder Europa en uiteindelijk meer kwetsbaarheid of kiezen we voor strategische samenwerking die onze handelingsvrijheid vergroot en tegelijk partnerlanden meer perspectief biedt?
Als we waardeketens langdurig willen veiligstellen moeten we een betrouwbare partner zijn. Ontwikkelingssamenwerking is niet alleen een investering in stabiele en veerkrachtige partnerlanden, maar ook in onze eigen strategische autonomie.
Fiona De Cuyper & Laura Birkman




